Home HMR 217, januari-februari-2026 Legitimiteit buiten, realiteit binnen: waarom missies en visies zelden richting geven aan gedrag

Krijg toegang tot
1000+
artikelen

De meest recente vakartikelen en klassiekers van topauteurs

Verdiep en verbreed je inzicht in het vak van management.

Legitimiteit buiten, realiteit binnen: waarom missies en visies zelden richting geven aan gedrag

28 februari 2026
Een essay over georganiseerde hypocrisie, ontkoppeling, institutionele stapeling en particularisering in de (semi-)publieke sector. Door Mario Kieft.  

Inleiding

Missies en visies blijken in de praktijk van de (semi-)publieke sector zelden het gedrag van professionals te bepalen. In dit artikel wordt onderzocht hoe dat komt door vier onderliggende mechanismen te analyseren. Het laat zien hoe bestuurders, leidinggevenden en professionals voortdurend balanceren tussen externe legitimiteit en interne werkbaarheid en hoe die spanning productief kan worden benut in de dagelijkse praktijk.

Belofte en praktijk van missie en visie

In vrijwel elke organisatie gelden missies en visies als richtinggevend kompas. Er worden heisessies belegd, canvassen gevuld, participatiesessies georganiseerd, posters ontworpen en dashboards aangescherpt. Teksten worden zorgvuldig gewogen op woorden, kernwaarden en klantbeloften, allemaal bedoeld om richting, samenhang en verbetering te creëren. Toch blijkt de stap van tekst naar dagelijks gedrag zelden rechtlijnig. Missies en visies functioneren vooral als symbolisch anker naar de externe omgeving in plaats van als concreet sturingsinstrument voor het gedrag van medewerkers.  
Vier mechanismen helpen die kloof te begrijpen:
  1. Georganiseerde hypocrisie, waarin bestuurders en managers balanceren tussen externe legitimiteit en interne werkbaarheid;
  2. Losse koppelingen, waarbij lagen (verticaal) en domeinen (horizontaal) elkaar beïnvloeden, maar ook eigen tempo, taal en afwegingsruimte behouden;
  3. Institutionele stapeling, waarbij nieuwe regels en routines zich ophopen bovenop bestaande structuren;
  4. Particulariseren, waarin professionals abstracte taal vertalen naar concrete persoonlijke betekenissen en handelingsvormen.
  De beschrijving van deze vier mechanismen laat zien hoe bestuurders, leidinggevenden en professionals voortdurend balanceren tussen idealen en werkbaarheid. In het vervolg van het artikel wordt de vraag behandeld hoe die spanning niet hoeft te worden opgelost, maar bewust hanteerbaar kan worden gemaakt in het dagelijkse sturen, samenwerken en leren.  

Logica achter de kloof

  1. Georganiseerde hypocrisie: legitimiteit naar buiten, routine naar binnen
(Semi-)publieke organisaties functioneren in een verweven netwerk van interne en externe actoren: bestuurders, managers, professionals, politiek, toezicht, inspecties, dienstverleners en cliënten. Dit netwerk kent geen enkelvoudige relaties, maar overlappende interacties waarin belangen deels strijdig of zelfs tegengesteld kunnen zijn (Putters, 2009). Volgens Nils Brunsson (1986, 2011) leidt deze dynamiek tot een structurele spanning tussen praten, besluiten en handelen, een spanning die hij aanduidt als georganiseerde hypocrisie: organisatieleden produceren drie soorten “producten”: ‘talk’, ‘decision’ en ‘action’. Deze stemmen vaak niet overeen, maar vervullen elk een eigen functie. ‘Talk’ legitimeert de organisatie naar buiten toe: het publieke verhaal laat zien dat de organisatie de juiste waarden en ambities deelt met haar omgeving. ‘Action’ richt zich op het laten functioneren van het primaire proces: zorg verlenen, onderwijs geven, vergunningen afhandelen, dienstverlening draaiende houden. ‘Decision’ vervult een bemiddelende functie tussen die twee: het creëert de schijn van rationaliteit en consistentie, verbindt uiteenlopende belangen, dempt spanning en handhaaft interne rust. Besluiten laten zien dat er zorgvuldig wordt afgewogen, ook als het handelen pragmatischer is dan de beleidsnota suggereert. Zo ontstaat een functioneel systeem van inconsistentie: ‘talk’ voor legitimiteit, ‘action’ voor continuïteit, ‘decision’ als ritueel van rationaliteit ertussenin.  
Twee voorbeelden; een ziekenhuis en een gemeente
Een topklinisch ziekenhuis profileert zich met de ambitie ‘nul vermijdbare fouten’. In het publieke verhaal (‘talk’) wordt een lerende, open cultuur benadrukt waarin alles wordt gemeld en getoetst. In het ‘decision’-domein vertaalt dit zich naar uitgebreide checklists, meldprocedures en audits. In de praktijk (‘action’) ziet het er echter anders uit: tijdens piekdrukte op de IC, of in de OK moeten keuzes worden gemaakt. Kritieke veiligheidschecks blijven gehandhaafd, maar minder cruciale controlepunten krijgen minder aandacht, of worden overgeslagen. Niet uit onwil, maar omdat werkdruk, capaciteit en wachttijdnormen dat afdwingen. De spanning tussen ‘talk’, ‘decision’ en ‘action’ is geen bewijs van mislukking, maar van aanpassingsvermogen. Het publieke verhaal vervult een legitimatiefunctie, terwijl de uitvoering wordt geleid door professionele normen en haalbaarheid. Hetzelfde mechanisme zien we bij een gemeente waar door ambtenaren een nieuw verkeersplan wordt ontwikkeld en waar de gemeenteraad heeft beloofd dat beslissingen ‘samen met bewoners’ tot stand komen. Er komt een participatieverordening, een online platform en drie geplande rondes van co-creatie. In de praktijk dwingen juridische termijnen, subsidie-eisen en beperkte capaciteit tot het schrappen van de laatste ronde. Slechts twee varianten blijken technisch haalbaar; het college kiest uiteindelijk voor de minst populaire, maar financieel en juridisch meest haalbare optie. De spanning tussen idealen en uitvoering is duidelijk: bestuurders moeten tegelijk voldoen aan eisen van rechtmatigheid, veiligheid, tijd en geld. Het resultaat is een rationele keuze binnen onverenigbare kaders. Missies en visies (‘talk’) zijn daarmee niet waardeloos, maar vervullen eerder een symbolische dan een sturende functie. Georganiseerde hypocrisie maakt het mogelijk dat organisaties naar buiten legitimiteit organiseren, terwijl intern vooral bestaande routines, informele werkwijzen en professionele standaarden leidend blijven (Homan, 2019).  
  1. Ontkoppeling: lagen en domeinen in eigen ritme
Ontkoppeling verwijst naar het bestaan van onderling verbonden maar deels zelfstandige eenheden. Orton en Weick (1990) beschrijven dit als een ordening die tegelijk samenhang en eigenheid mogelijk maakt. In publieke en non-profitorganisaties hebben bestuurslagen, beleidsdomeinen en uitvoeringspraktijken elk hun eigen ritme, taal en beoordelingscriteria. Zij reageren op elkaar, maar volgen niet automatisch elkaars logica. Bestuurders spreken de taal van legitimiteit en verantwoording; in beleidsafdelingen wordt dit vertaald naar plannen en formats; de uitvoerende medewerkers handelen binnen tijd, capaciteit en professionele normen. De verbinding tussen die werelden is reëel, maar niet strak: informatie, besluiten en intenties bewegen vertraagd en vervormd door het systeem. De ontkoppeling fungeert daarmee als buffer tussen lagen en domeinen: zij voorkomt dat politieke druk of beleidswijzigingen direct het primaire proces ontwrichten, maar kan ook leiden tot rituele afstemming en schijn van consistentie. Homan (2019) spreekt in dit verband over ontkoppelparadijzen: omgevingen waarin frontstage (in formele rapporten, vergaderingen en communicatie) de indruk van eenduidigheid wordt gewekt, terwijl backstage juist pragmatiek en variatie alle ruimte krijgen. De frontstage-orde schept legitimiteit, de backstage-praktijk geeft inzicht in hoe het écht gaat. Een herkenbaar voorbeeld is het middelbaar beroepsonderwijs, waar strategisch beleid wordt ingezet op ‘gepersonaliseerd leren’. Bestuur en beleidsstaf spreken over flexibiliteit en eigenaarschap; teams vertalen dat naar haalbare vormen binnen roosters, examinering en formatieve toetsing. In één organisatie lopen daardoor verschillende werkelijkheden naast elkaar: het bestuurlijke verhaal dient legitimiteit en richting, het team zoekt werkbaarheid en hanteerbaarheid. Losse koppelingen maken organisaties veerkrachtig: ze bieden schokdemping tussen lagen en domeinen met uiteenlopende eisen en tijdshorizonten. De kunst is niet om ze te repareren, maar om ze te zien, te duiden en te benutten.  
  1. Institutionele stapeling: toevoegen zonder vervangen
Institutionele stapeling verwijst naar het verschijnsel dat nieuwe regels, processen of symbolen worden toegevoegd zonder dat oude verdwijnen. Van der Heijden (2011) beschrijft dit als het aanhechten van nieuwe instituties aan bestaande: elke hervorming laat een spoor na dat blijft bestaan, ook wanneer de context verandert. Zo ontstaat een gesedimenteerd organisatielandschap waarin lagen uit verschillende hervormingsgolven naast elkaar voortleven. Toegepast op missies en visies betekent dit dat een nieuwe visie vaak een extra laag symboliek en verantwoording toevoegt, maar zelden routines vervangt. De nieuwe laag legitimeert extern, terwijl intern de bestaande werklogica’s en scripts blijven functioneren. Mastenbroek (2007) spreekt in dit verband over organisatiehistorie: oude routines, machtsverdelingen en symboliek blijven liggen en vormen de bedding waarin nieuwe lagen zich nestelen. Er ontstaan patronen van verstroeving en bestuurlijke drukte (meer regels, meer systemen, meer coördinatie) die juist verdere sedimentatie versterken in plaats van vernieuwing. Voor professionals betekent dit dat er telkens een nieuwe laag van systemen, afspraken en slogans bijkomt, terwijl de kernpraktijk grotendeels onveranderd blijft.  
Een voorbeeld uit het sociaal domein van een gemeente
  • In 2015 ontstaan met de decentralisaties wijkteams, keukentafelgesprekken en beschikkingen, terwijl aanbieder-specifieke productcodes en oude registraties blijven bestaan.
  • In 2017 volgt resultaatfinanciering met strak contractbeheer; de oude Excel-overzichten verdwijnen niet.
  • In 2018 komen AVG-protocollen en ‘gegevensbeschermingseffectbeoordelingen’ (DPIA’s) bovenop bestaande formulieren en convenanten.
  • Tussen 2019 en 2021 worden ketenstandaarden (iWmo/iJw) en een digitaal portaal ingevoerd, terwijl e-mail en telefoon als informele kanalen blijven bestaan.
  • In 2022 verschijnt het credo ‘één gezin, één plan, één regisseur’, met regietafels en formats, maar de scheiding tussen Wmo- en jeugdbudgetten blijft leidend.
  • In 2023/2024 volgt datagedreven sturing via dashboards, terwijl teams nog steeds narratieve casusverslagen maken voor audits.
  • In 2024/2025 voegen AI-richtlijnen en nieuwe toezichteisen zich bij de bestaande auditcycli.
  Na elke hervormingsgolf blijft het oude in stand. Zo groeit de organisatie als een geologische formatie: laag op laag, elk met zijn eigen logica en vocabulaire. Voor professionals betekent dat meer systemen voor dezelfde casus, meer overleggen en meer formats ‘bovenop’ bestaande routines. Voor cliënten verandert de kern van het werk minder dan de nieuwe taal suggereert. Institutionele stapeling leidt zo tot een accumulatie van symboliek: elke nieuwe laag toont bestuurlijke daadkracht, maar vergroot tegelijkertijd de coördinatielast. De spanning tussen vernieuwing en continuïteit neemt toe, terwijl het dagelijks handelen grotendeels blijft wat het was. De uitdaging is dus niet méér beleid, maar het bewust vervangen van wat niet meer nodig is. En dat is in veel organisaties een zeldzame vorm van verandering.  
  1. Particulariseren: van abstracte taal naar lokale betekenis en handelen
Particulariseren is de onvermijdelijke lokale vertaling van abstracte taal (missies, visies, programma’s) naar concrete betekenis en handelen. Formele taal in organisaties is vaak bewust vaag, als uitkomst van compromissen, of als verbindende plakbandtaal (Homan, 2019). Die vaagheid creëert ruimte voor interpretatie. Professionals nemen uit die abstracte formuleringen, wat aansluit bij hun lokale werkelijkheid en laten de rest liggen. Stacey (2001) laat zien dat betekenis en kennis niet ontstaan uit beleidsteksten of blauwdrukken, maar uit het hier-en-nu van lokale interacties. Gedrag wordt niet gestuurd door papier, maar door betekenisgevings- en machtsprocessen in informele netwerken in de dagelijkse praktijk.  

Proces van particulariseren

  • Signaal en kadering. Een nieuwe missie of visie fungeert als signaal; abstracte woorden als vertrouwen, verbinding of toekomstgericht scheppen ruimte voor eigen interpretatie (Homan, 2019; Brunsson, 2011; Putters, 2009).
  • Professionals toetsen op bruikbaarheid voor hun taak of klant: wat helpt, blijft; wat belemmert, verdwijnt (Van der Heijden, 2011; Homan, 2019).
  • Betekenisgeving is verbonden met beroepsidentiteit en vindt vaak backstage plaats in informele netwerken. Zo ontstaan polyvocale invullingen naast de formele, monovocale visie (Homan, 2013; Orton & Weick, 1990; Stacey, 2001).
  • Macht en veiligheid. Interpretaties worden bepaald door wie mag duiden, welke hiërarchieën gelden en hoe veilig het is om af te wijken (Stacey, 2001).
  • Lokale invulling. Kleine vertalingen worden getest in het werk. Wat blijkt te werken, kristalliseert uit tot nieuwe routines (Stacey, 2001; Homan, 2013, 2019).
  • Frontstage verpakking. De lokale betekenis wordt vervolgens in organisatieretoriek verpakt in slogans, formats of kernwaarden, waarmee de formele legitimiteit behouden blijft (Brunsson, 1986, 2011; Homan, 2019).
  Zo krijgt beleid pas betekenis doordat het plaatselijk door professionals wordt vertaald. Abstracte taal fungeert als kader, maar het werk vindt plaats in talloze microvertalingen die zich aan context, macht en veiligheid aanpassen.  

Voor de bühne en backstage: samenhang tussen mechanismen

Gezamenlijk vormen de beschreven mechanismen één herkenbaar patroon in de (semi-)publieke sector. Extern functioneren missie en visie als legitimatiesignaal richting politiek, toezichthouders en publiek (Homan, 2019; Brunsson, 1986, 2011). Intern volgt gedrag de professionele betekenisgeving in een praktijk die van elkaar is losgekoppeld: teams vertalen beleidstaal naar hun eigen context of laten die grotendeels liggen (Orton & Weick, 1990). In de loop der tijd voegen nieuwe concepten en programma’s (institutionele stapelingen) vooral symbolische lagen toe, terwijl de kernpraktijken slechts langzaam en selectief veranderen (Van der Heijden, 2011). Dit geheel belichaamt wat Brunsson aanduidt als georganiseerde hypocrisie: een structurele, functionele kloof tussen wat er gezegd en wat er gedaan wordt in organisaties. Die kloof is geen afwijking, maar een voorwaarde voor overleven in complexe en tegenstrijdige omgevingen (Brunsson, 1986, 2011; Lipson & Weaver, 2008; Homan, 2019).  

Falen met succes?

Dat missies en visies als tekst vaak weinig directe impact hebben, betekent niet dat zij zinloos zijn. In lijn met het sociale-complexiteitsdenken ligt hun waarde vooral in de interacties tussen betrokkenen: de gesprekken, de fricties en de gezamenlijke betekenisgeving waaruit nieuw handelen kan ontstaan (Stacey, 2001). Ook als een traject formeel strandt, kunnen tussentijdse verbindingen, gedeelde taal en werkvormen blijvend doorwerken in de praktijk. Een voorbeeld van een universiteit illustreert dit goed. De universiteit wil haar onderwijs toekomstbestendig maken. Onder begeleiding van een extern bureau spreken docenten, onderwijsadviseurs en staf gedurende enkele maanden over een nieuw model: de rol van ICT en AI, de digitale leeromgeving, pedagogiek, vaardigheden en binding tussen docenten en studenten. In werksessies ontstaan schetsen, scenario’s en werkafspraken; teams leren elkaars taal spreken en vinden elkaar over faculteitsgrenzen heen. Aan het einde besluit het College van Bestuur het model niet in te voeren, omdat het te kostbaar is in implementatie en exploitatie. Formeel is het project mislukt. Een jaar later blijkt echter een ander effect: de tijdens het traject ontstane dwarsverbanden werken door in het dagelijks werk. Docenten uit verschillende faculteiten weten elkaar sneller te vinden, stemmen informeel af, delen rubrics, ontwikkelen gezamenlijke keuzevakken en starten kleine AI-proeftuinen binnen bestaande curricula. Deelnemers hebben een gedeelde taal voor ontwerpkeuzes ontwikkeld, waardoor nieuwe initiatieven soepeler van de grond komen. De formele beslissing faalde, maar het proces leverde sociale en inhoudelijke verbindingen op die aanpassingsvermogen en innovatiecapaciteit blijken te vergroten. Dit is falen met succes: de waarde zit niet in het einddocument, maar in de betekenisvolle interacties waarin nieuwe inzichten en werkwijzen ontstaan. Juist het particulariseren van abstracte begrippen naar concrete praktijken, laat taal en concepten landen in handelen, ook zonder een formeel top-down geïmplementeerd verandertraject.  

Werken mét de kloof

Wat betekenen deze inzichten voor de dagelijkse praktijk? Verandering verloopt zelden via één blauwdruk. Organisatieleden ontwikkelen zich via lokale vertalingen, spanningsbalansen en iteratief leren. De volgende ontwerpkeuzes bieden handelingsperspectief; ze zijn gericht op het samenspel tussen symbolische legitimatie en praktische inpassing in dagelijkse interacties.  
  1. Samen betekenis geven
Betekenis en gedrag ontstaan in lokale interacties (Homan, 2019; Stacey, 2001): - Organiseer dialogen rond echte casuïstiek waarin de taal van het werk centraal staat. - Maak macht zo zichtbaar mogelijk: wie mag meedenken, hoe loopt informele invloed, hoe ontwikkelt psychologische veiligheid zich? - Ontwikkel een probeer-reflecteer-leerdynamiek via kleinschalige experimenten, kortcyclische evaluaties en het delen en bespreken van werkende voorbeelden.  
  1. Werk met losse koppelingen
Beleid, bestuur, uitvoering en toezicht zijn onvermijdelijk los gekoppeld (Orton & Weick, 1990). Benut dat bewust: - Herken verschillende systeemlogica’s en organiseer vertaalmomenten in plaats van uniforme formats. - Gebruik scharnierfuncties (‘bruggenbouwers’) en overlegvormen die informatie soepel tussen domeinen laten bewegen. - Werk met ‘koppelpunt’-agenda’s: koppel waar het moet (kaders, middelen, publieke verantwoording) en realiseer voor het overige autonome ruimte. - Stimuleer wederzijdse nieuwsgierigheid (meeloopdagen, meedenken over keuzes). - Faciliteer connectiviteit en stimuleer variëteit in het organisatielandschap waardoor veerkrachtigheid toeneemt en de kans op robuustere oplossingen wordt vergroot.  
  1. Stapeling bewust organiseren
Nieuwe lagen komen er vaak bij zonder dat oude verdwijnen (Van der Heijden, 2011). Afleren is een kernvaardigheid: - Breng regels, processen en rapportages in kaart met doel en herkomst. - Spreek bij elke vernieuwing expliciet af wat wordt vervangen. - Gebruik stoplijsten en sunset-clausules (automatische einddatum tenzij actief verlengd). - Koppel nieuwe initiatieven aan bestaande routines (P&C, HR, ICT) en benoem eigenaars voor opschoning. - Reserveer een sloopbudget en schrap overbodige KPI’s om ruimte te maken voor het primaire proces.  
  1. Georganiseerde hypocrisie bewuster hanteren
‘Talk–decision–action’ lopen vaak uiteen; dat kan functioneel zijn (Brunsson, 1986, 2011; Homan, 2019). Mogelijke opties voor actie: - Praat–besluit–handeling‑scan: periodiek op één dossier vaststellen wat er wordt gezegd, wat er wordt besloten en wat er feitelijk gebeurt. - Symboliek labelen: expliciet onderscheid maken tussen elementen voor externe legitimatie en elementen die operationeel moeten werken. - Koppelen waar het moet, ontkoppelen waar het mag: alleen verbinden wat aantoonbaar het werk verbetert. - Schaduwagenda: een kort wekelijks moment in management‑ of teamoverleg om te duiden wat vooral symbolisch was en wat operationeel. - Realiteitscheck (één A4): bij elk besluit kan een beknopt overzicht helpen om de stap naar praktijk te borgen: (a) gewenst zichtbaar gedrag, (b) eerste casus en moment, (c) eigenaar, en (d) reviewdatum met criteria voor bijsturen, stoppen of opschalen.  

Conclusie

In dit essay is betoogd dat missies en visies gedrag zelden sturen, maar vooral functioneren als legitimatiesignaal naar de buitenwereld. In de dagelijkse praktijk ontstaat handelen uit de spanning tussen externe verwachtingen en interne werkbaarheid. Georganiseerde hypocrisie, losse koppelingen, institutionele stapeling en particularisering laten zien hoe woorden en daden structureel uiteenlopen, zonder dat het werk stilvalt. De werking van missie en visie is daarmee indirect en relationeel: zij krijgen pas betekenis in concrete interacties en professionele afwegingen. Wie verandering zoekt, kan die kloof beter niet proberen weg te organiseren, maar leren hanteren.  

Over de auteur

Mario Kieft is hoofddocent Organisatieontwikkeling en Gedrag in Organisaties aan de Open Universiteit Nederland en werkt daarnaast als organisatieadviseur bij Zindering.NU. Hij ondersteunt publieke en non-profitorganisaties bij strategische verander- en ontwikkeltrajecten. Zijn werk richt zich op samenwerking over organisatiegrenzen heen, het versterken van informele netwerken, het op gang brengen van collectieve bewegingen en het coachen van managers en professionals. Hij onderzoekt en begeleidt hoe in organisaties wordt omgegaan met macht, complexiteit en defensieve patronen in veranderprocessen.  

Dit essay is tot stand gekomen onder verantwoordelijkheid en met medewerking van de redactie van HMR.

Literatuur

Brunsson, N. (1986). Organizing for inconsistencies: On organizational conflict, depression and hypocrisy as substitutes for action. Scandinavian Journal of Management Studies, 2(3–4), 165–185. Brunsson, N. (2011). The organization of hypocrisy: Talk, decisions and actions in organizations (2nd ed.). Liber; Copenhagen Business School Press. Homan, T. (2013). Het et-cetera-principe: Een nieuw perspectief op organisatieontwikkeling. Boom. Homan, T. (2019). De veranderende gemeente: De praktijk van gemeentelijke verandering en ontwikkeling. Stichting A&O fonds Gemeenten. Lipson, M., & Weaver, C. (2008, 25–29 maart). Varieties of organized hypocrisy. Paper gepresenteerd op de Annual Meeting of the International Studies Association, San Francisco, CA. Mastenbroek, W. (2007, 7 december). Over organisatierot en bestuurlijke drukte: Afscheidscollege, VU Amsterdam (Ontwikkelingen en Ideeën, nr. 44). Holland Consulting Group. Orton, J. D., & Weick, K. E. (1990). Loosely coupled systems: A reconceptualization. Academy of Management Review, 15(2), 203–223. Putters, K. (2009, 9 oktober). Besturen met duivelselastiek [Oratie]. Erasmus Universiteit Rotterdam, Instituut Beleid & Management Gezondheidszorg. Stacey, R. D. (2001). Complex responsive processes in organizations: Learning and knowledge creation. Routledge. Van der Heijden, J. (2011). Institutional layering: A review of the use of the concept. Politics, 31(1), 9–18.  

Schrijf je in voor de HMR nieuwsbrief!

Ontvang direct de nieuwste artikelen

Krijg toegang tot
1000+
artikelen

De meest recente vakartikelen en klassiekers van topauteurs

Verdiep en verbreed je inzicht in het vak van management.